
Als jonge man vereerde Mohammed Arabische afgoden. Toen verscheen Allah aan hem en veranderde zijn leven. Deze verandering plaatst ons tegenwoordig voor raadsels.
Vermoedelijk werd Mohammed eind augustus 570 in Mekka geboren. Al vroeg wees, groeide hij eerst op bij de Bedoeïenen in de woestijn. Daarna werd hij opgenomen door familieleden in Mekka en werkte hij als kameeldrijver. Hij trok met karavanen door het gebied tussen Syrië en Jemen.
In het jaar 595 leerde de straatarme Mohammed de rijke weduwe
Chadiedja kennen. Al snel werd hij »bedrijfsleider« en minnaar van de wezenlijk oudere dame. Daarmee begon zijn sociale promotie.
Chadiedja wilde de relatie met haar jonge minnaar legitimeren, maar haar vader zag in Mohammed slechts een brutale erfenisjager en weigerde zijn toestemming te geven voor het huwelijk. Nu volgde »een groteske in oud-Arabische stijl«, aldus Mohammed-biograaf Essad Mey.
De drankzuchtige vader van Chadiedja werd dronken gevoerd en door lang op hem in te praten kregen ze toestemming. Toen hij weer nuchter was, zwoer hij zijn onwelkome schoonzoon bloedwraak, stierf echter spoedig daarna.
Met het vermogen van Chadiedja deed Mohammed hele goede zaken en behoorde al snel tot een van de notabelen van Mekka. Deze koopmansrepubliek vormde destijds een verbazingwekkend tolerante gemeenschap.
Er was weliswaar een centraal heiligdom, de »Ka’aba«, een vierkant gebouw, waarin zogenaamd een door Abraham binnengelaten steen rustte. Rondom deze Ka’aba stonden meer dan 350 standbeelden en symbolen van goden, afgoden en heiligen. In Mekka mocht iedereen volgens zijn eigen geloof zalig worden.
Ook Mohammed vereerde Arabische afgoden. Maar vanaf november 610 traden er veranderingen in zijn persoonlijkheid op. Ze waren zo ernstig, dat men nu nog over de oorzaken speculeert.
»Vaak zag men hem met ingevallen wangen en koortsige ogen doelloos door het land dwalen«, wordt er in een oud bericht gezegd. »Zijn kleren waren verscheurd, zijn haren onverzorgd, dagenlang raakte hij geen eten aan.«
Op de Hiraberg in het oosten van Mekka werd Mohammed bezocht door visioenen. Hij beweerde, dat stenen en rotsen hem met gehuil zouden bedreigen, kreeg hysterische aanvallen en zat vaak bevend van angst in grotten. Tegen zijn vrouw Chadiedja zei hij: »Ik weet niet of ik door een goede geest of door een demon wordt achtervolgd.«
In zijn wanhoop wilde hij zelfmoord plegen. Toen hij op het punt stond van een rots af te springen, sprak er een wezen genaamd Allah tot hem en zei, dat hij uitverkoren zou zijn »als verkondiger van de waarheid van mijn woord.«
Mohammed begon nu in Mekka te missioneren, eerst in de eigen familiekring. Als eerste bekeerde hij zijn neef Ali, een kind van tien jaar oud, daarna zijn vrouw Chadiedja. Daarna volgde Abu Bekr, een zakenrelatie, volgens kronieken »een lolbroek en bedreven verteller van schuine moppen.«
Twee jaar later had hij nog maar acht personen van de islam overtuigd. Toen voelde hij zich genoodzaakt naar buiten te treden. Hij hield woedende preken, bedreigde waarzeggers en tovenaars op het plein van de Ka’aba.
Het optreden van Mohammed leek zelfs in het tolerante Mekka storend. Men had hem aangeboden: »Zet het standbeeld van je god in de Ka’aba en vereer hem zoveel je wilt. Wij zullen je niet storen.«
Maar Mohammed wees dit af. Omdat er in Mekka geen gevangenissen waren, beval men hem aan om uit Mekka te vertrekken. Vanaf 613 ging de nieuwe profeet drie jaar naar de Bedoeïenenstammen. Hij vertelde, dat de aartsengel Gabriel hem ertoe zou hebben opgeroepen: »Verkondig je geloof in de hele wereld!«
De woestijnzonen waren vriendelijk, maar niet bijzonder onder de indruk. Pas nadat de aartsengel Gabriel een volledige geloofscanon, de »koran«, had gedicteerd, won de islam aanhangers. In Mekka echter werd de profeet na iedere preek uitgefloten en bespot.
In de zomer van 622 trok Mohammed naar de stad Yathrib, waar zijn islamitische geloof weerklank had gevonden. Weldra noemde men de plaats »Medinat en-Nebi« (stad van de profeet) of Medina. Hier riep Mohammed op tot de »Heilige Oorlog« (Jihad) tegen de Mekkanen. Deze strijd bestond in het begin uit bloedige roofovervallen op karavanen. Van de buit kreeg Mohammed regelmatig een vijfde deel als privébezit. De Mekkanen moesten dit stoppen. Ze trokken in het jaar 624 met een slechts uit 900 man bestaand leger op naar Medina en leden bij Badr een nederlaag.
Ze waren niet opgewassen tegen Mohammeds totale oorlogsvoering. De profeet had o.a. bevolen om in het vijandelijke gebied de volgens de wet van de woestijn heilige bronnen te vergiftigen of dicht te gooien.
In maart 625 hadden de Mekkanen bijgeleerd en versloegen de troepen van Mohammed bij de berg Ohod. In Medina werd daarna een terreurheerschappij gevestigd. Iedere man, die zich niet tot de islam wilde bekeren, werd terechtgesteld, zijn familieleden werden als slaven verkocht.
In 627 moesten alle Joden van Medina sterven. Mohammed gedroeg zich »als een meedogenloze wreker, een bloeddorstige despoot«. Zij privéleven nam schandalige trekken aan. Na de dood van Chadiedja in het jaar 619 trouwde hij met in totaal 14 vrouwen, die »moeders van de ware gelovigen« werden genoemd. In het openbaar moesten ze een sluier dragen, wat later een algemeen islamitisch gebruik werd.
Voor opzien zorgde in 621 het huwelijk van de meer dan 50 jaar oude Mohammed met de 9-jarige Aisha, die als bruidsschat haar speelgoed haar speelgoed in het huwelijk bracht. Eigenlijk had hij al met Aisha willen trouwen toen ze 6 jaar oud was, wat de vader onder verwijzing naar haar »tijd van rijpheid« op het laatste moment kon verhinderen.
Ondanks zijn excessieve vrouwenconsumptie kreeg Mohammed nooit een zoon. Zij onopgeloste opvolging zou uiteindelijk uitmonden in een splitsing van de islam in Soennieten en Sjiieten.
Door zijn suggestieve welbespraaktheid en vooral door de belofte op een paradijs na de dood voor alle ware gelovige mannen kreeg Mohammed steeds meer aanhangers. In 630 capituleerde Mekka bijna zonder verzet voor zijn troepen.
De profeet bleek een grootmoedige overwinnaar te zijn, want hij spaarde het leven en het eigendom van de vijand. Alleen in religievragen bleef hij intolerant. De 350 afgodenbeelden werden vernietigd, wie niet tot de islam overging, moest op de doodstraf rekenen.
Toen Mohammed zijn einde voelde naderen, vertrok hij vanuit het door hem gehate Mekka weer naar Medina. Hier overleed hij op 8 juni 632. Een van zijn laatste bevelen luidde: »Verdrijf alle ongelovigen uit Arabië!«
Bron:
Auteur: Jan von Flocken